Onderzoek volgende fase

De komende periode tot aan de zomer van 2020 worden de alternatieven 0, 1, 2 en 4 verder onderzocht om een goed onderbouwde keuze te kunnen maken voor enkele alternatieven die in het vervolgproces worden uitgewerkt.

Alle alternatieven worden nader onderzocht op de volgende aspecten:

  • Realiseerbaar voor 2030
  • Verkeersveiligheid
  • Bouw- & uitvoeringshinder
  • Stikstofdepositie
  • Natuurcompensatie
  • Kostenraming
  • Uitvoeringsrisico’s spoor
  • Ruimtelijke inpassing
Alternatief 0, eerste schets

Alternatief 0

Alternatief 1, eerste schets

Alternatief 1

Alternatieven 0 en 1 worden op een vrij gedetailleerd niveau uitgewerkt. Nadruk ligt daarbij vooral op:

  • Kan het gemaakt worden? In het gebied zijn veel zaken om rekening mee te houden. Dit gaat om bijvoorbeeld de spoorbrug en kabels & leidingen en ook de aansluiting op bestaande op- en afritten (bijvoorbeeld afrit 9)
  • Is het voor 2030 klaar? Dit geldt vooral voor alternatief 1 omdat daarbij ook de spoorbrug wordt vervangen. 2030 is het jaartal waar het project zich op richt omdat de huidige Suurhoffbrug tot die tijd open blijft.
  • Hoeveel hinder is er tijdens de bouw? In de eerste fase van het project is een inschatting gemaakt van de hinder. In de komende fase wordt dit uitgebreider onderzocht voor weg, spoor en scheepvaart.
Alternatief 2, eerste schets

Alternatief 2

Alternatief 4, eerste schets

Alternatief 4

Voor de alternatieven 0, 1, 2 en 4 kijken we ook naar:

  • Natuurcompensatie. Alternatieven 2 en 4 gaan door een natuurgebied. In deze fase wordt in beeld gebracht hoeveel natuur dan wordt weggenomen en waar dat weer terug gebracht kan worden;
  • Stikstof. Per alternatief wordt in beeld gebracht hoeveel stikstof er op Natura 2000 gebieden (zoals Voornse Duin) neerslaat;
  • Hinder voor het spoor. Dit is vooral voor alternatief 0 van belang. In dit alternatief is er in 2030 een nieuwe wegverbinding en in 2042 een nieuwe spoorverbinding. De wegverbinding die er in 2030 ligt kan mogelijk problemen geven voor de nieuwe spoorverbinding in 2042. Daarom kijken we daar nu naar.
  • Inpassing. Voor het gebied wordt nu een inpassingsvisie gemaakt waarmee een beeld wordt geschetst welke landschappelijke mogelijkheden er in dit gebied liggen. Op basis van die visie wordt gekeken wat er per alternatief nodig is om de nieuwe brug goed in te passen

Al deze uitkomsten leveren een beschrijving per alternatief op waaruit kan worden opgemaakt of deze al dan niet maakbaar en haalbaar is. Dit levert objectieve beslisinformatie op waarop de keuze voor het uitwerken van enkele alternatieven kan worden gebaseerd.